Home Contact

Restauratie

  • Restauratie
  • Uitvoering
  • Interieur

De verschillende fasen

Het Oude Kerkje werd in 1960 in vervallen toestand aan een grondige restauratie onderworpen onderleiding van architect ir. C.G. Geenen uit Eindhoven. Voordat hiermee kon worden begonnen en om enig inzicht te krijgen in de oudheid van het kerkje, werd hiervoor door monumentenzorg een onderzoek gedaan. Het documentatierapport van deze rijksdienst dateert van 1960.

In 1976 namen een aantal vrijwilligers het Oude Kerkje onder hum hoede. Tot op de dag van vandaag worden naast onderhoudswerkzaamheden, ook werkzaamheden uitgevoerd die het comfort van de ruimte tijdens het gebruik aanzienlijk verhogen.

Wilt u een en ander op foto's bekijken, ga dan naar onze fotopagina waar u van verschillende jaren het overgebleven beeldmateriaal kunt bekijken. We gaan zelfs terug tot 1928.

 

Enige kanttekeningen bij de uitvoering van het gerestaureerde kerkje

De visie van architect ir. C.G. Geenen

Door de jarenlange verwaarlozing verkeerde het kaphout in zo'n deplorabele toestand, dat dit geheel moest worden vervangen. De resten van het oude eikenhouten tongewelf, die nog aanwezig waren, gaven voldoende aanwijzing voor de reconstructie van dit gewelf. Van de originele spanten waren de kapbalken (de zgn. jukbalken) weggezaagd. Zij werden in verband met het aanbrengen van het eerder genoemde stucplafond vervangen door ijzeren trekstangen, die de zijdelingse druk van de spantbenen moesten opvangen. Vermoedelijk is dit geschied in het eerste kwart van de 18e eeuw. Nog werden enkele zeer oude bebordingsdelen teruggevonden, voorzien van de originele met de hand gesmede leinagels.

Evenals bij de kerk van Oirschot is ook hier de nok van het Maasdak van oudsher afgedekt geweest met kleine gebakken en gesmoorde vorstpannen. Aan de hand van een paar gevonden modellen konden zonder veel moeite nieuwe worden gebakken. Ofschoon nokafdichtingen door middel van met lood beklede ruiters ook in deze streken en dan vooral in latere tijd voorkwamen, gaf de Brabantse dekker toch wel de voorkeur aan gebakken vorsten.

Natuurlijk heeft de dakvoet van dit eenvoudige kerkje geen goot gekend. Men kan in zo'n geval consequent restaureren. Gods water maar weer langs de muren en funderingen laten lopen en aldus de volgende restauratie inleiden. Doelmatiger, hoewel minder dogmatisch, maar beslist niet minder fraai kan men in zo'n geval het hemelwater ( en dat is van een kerkdak heel wat) afvoeren langs een zgn. schamp- of Limburgse goot, die het water van de gevels houdt en die, van de buitenkant bekleed met leien, nauwelijks opvalt.

Het trekken van conclusies bij restauraties dient altijd onder de nodige reserves te geschieden, toch kan hier met vrij grote zekerheid worden gesteld, dat het koor (misschien als kapel) ooit een zelfstandig bestaan heeft geleid. Bij het wegbreken van het calamiteus metselwerk kwam een naar het schip gekeerde topgevel tevoorschijn, die geheel in schoonmetselwerk was opgetrokken. Ter wille van de bouwgeschiedenis is een klein gedeelte hiervan nog zichtbaar gelaten in de nis boven de kapbalk van het oostelijk muur-schipspant. Het baksteenformaat van dit koor is bovendien groter dan dat van schip en toren. Merkwaardig is nog, dat in de overigens geheel uit baksteen opgetrokken toren waterslagen gevonden werden van Ledesteen (grèsledièn) en daarnaast van geprofileerde baksteen, dikwijls aan een zelfde lijst. Deze vrijheden zijn natuurlijk een gevolg van herhaalde restauraties, zij zijn dan ook zonder scrupules in het werk gehandhaafd. Jammer genoeg wordt ten detrimente van restaurateurs de specifiek Brabantse ledesteen, afkomstig uit de carrières van het voormalige Hertogdom en Oost-Vlaanderen (o.m. Aalst, Lede en Balegem) niet meer gewonnen. Eertijds werd deze uitstekende steensoort in grote hoeveelheden naar Nederland vervoerd, zelfs tot benoorden Amsterdam. Het is uitstekend materiaal, een licht kalkhoudende zandsteensoort, die door zijn calcareuze structuur een lange levensduur bezat en een fraaie gele patine verkreeg in plaats van de veelal zwarte die andere zandsteensoorten opleveren.

Niet onvermeld mag blijven, dat in de afgeschuinde rollaag van het plint op meerdere plaatsen een gesmoorde steen werd aangetroffen, een donkergrijze steen dus van vrij hoge hardheid. Het bleek mogelijk, op de oude manier, dus door toevoeging van nat hout tijdens het bakproces, een aantal van deze stenen bij te maken.
De grote transeptramen en de koorvensters werden ontdaan van de quasi-gotische cementen traceringen. Deze waren zeker niet origineel en werden dan ook, mede op esthetische gronden, vervangen door eenvoudige bakstenen harnassen.

Na een nauwkeurig onderzoek van de zijbeukmuren bleek dat de grote vensters hierin niet origineel waren. Zij werden dan ook vervangen door kleinere ramen, waarvan zowel vorm als grootte in het oude metselwerk konden worden teruggevonden. Dit soort recherchewerk is alleen maar mogelijk, indien men, zoals de bouwkundig opzichter Verdonk met zijn langjarige restauratie-ervaring, beschikt over een zesde zintuig!

Het dichtgemetselde rondvenstertje boven de toreningang werd wederom opengemaakt. Na lang aarzelen werd er vanaf gezien hierboven het driedelig venster te maken, dat vele van onze Kempische torens kenmerkt; de Beerse toren behield hierdoor zijn stoer karakter en ja .. waarom zou de esthetiek bij restauraties geen woordje mogen meespreken?

Van de 'moderne aanbouwsels', genoemd in de voorlopige lijst van Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, werd alleen de grote sacristie met een aantal hokken aan de zuidzijde gesloopt.Het eveneens uit later eeuwen daterende sacristietje aan de noordzijde werd gehandhaafd; het is een typisch schaalgevend element, dat, alhoewel niet origineel, hier toch maar kwalijk gemist kon worden".
Alle vensteropeningen werden met Frans cordeléglas in een eenvoudige rechthoekige zetting gedicht.
Het monumentje heeft aan de noordelijke beuk een ingang, die (perspectivisch vertekend) ook voorkomt op de prent van de Boxtelse landmeter Verhees. Dit aanbouwsel, dat reeds goeddeels verdwenen maar zeker niet origineel was, is niet meer in de conceptie opgenomen.

Niet bekend was, dat ook de zuidelijke beuk een ingang had, en wel in hetzelfde travee als waarin zich die van de noordelijke beuk bevond. Hiervan werden de ingemetselde duimen nog teruggevonden nadat een vulmuur verwijderd was. De duimen zijn op hun plaats gelaten en de ingang werd wederom dichtgemetseld met een verkenning van enkele centimeters, waardoor ook voor het nageslacht de voormalige toegang nog zichtbaar blijft.

Bronvermelding:

- 'Enige kanttekeningen bij het gerestaureerde Sint Willibrorduskerkje te Middelbeers'
ir. C.G. Geenen in het maandblad Brabantia 11e jaargang 1962.

 

Enige kanttekeningen bij het interieur van het gerestaureerde kerkje

De visie van architect ir. C.G. Geenen

Vermoedelijk werden in het eerste kwart van de 17e eeuw tegelijk met het plafond, de muren en de kolommen (opnieuw?) gepleisterd. Na de schoonmaak van deze laatste, bleek dat ze vroeger kantig moeten zijn geweest. Ze werden door een vaardige hand rondgehakt en daarna gestukadoord en van gipsen kapitelen voorzien. De basementen waren, zoals later bleek, met aan- en tegenmetselingen op dikte gebracht.

De kolommen zijn, na ampele overwegingen, rond gebleven. Zij werden evenals alle binnenmuren voorzien van een uit de hand opgezette bepleistering, en wel zo, dat het metselwerk door het stucwerk heen 'voelbaar' bleef.

Het classicistische houten zangkoortje, ofschoon zodanig verminkt, kon nog in zijn oude vorm worden hersteld. De storende houten trap, de toegang erheen, die het kerkschip danig ontsierde, kon achterwege blijven. Na veel passen en meten toch, bleek dat vanuit de traptoren een toegang naar het zangkoortje te maken was, zonder dat daardoor de hoek van het torenlichaam noemenswaard werd verzwakt.
Het kaphout werd gerookt, waardoor het een prachtige tint verkreeg met behoud van zijn structuur.

De ruimten van schip, koor en torenportaal werden bevloerd met Namense tegels. De deuren werden wederom voorzien van handgesmede gehengen, sloten en grendels. Gelukkig kon het fraaie kruisje op de koorsluiting nog geheel hersteld worden. Het spreekt vanzelf dat de originele klokkenstoel, ofschoon niet meer in gebruik, intact werd gelaten. Piëteitshalve is het oude mechanische uurwerk weer op zijn vroegere plaats teruggezet.

Dat deze restauratie zo bijzonder geslaagd is, moet voor een niet gering deel worden toegeschreven aan de bekwaamheid en niet aflatende zorg van de hoofdarchitect van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, C.J.M. v.d. Veken.

Tegelijk met de kerk kon de kerkhofmuur, die in al zijn eenvoud toch zo'n fraaie afsluiting vormt, hersteld worden. Het oude kerkhofje door deze muur omsloten, blijft inmiddels nog een probleem. Hier dient de kunstzinnige hand van de tuinarchitect een omgeving te creëren, die zonder artefact te zijn en zonder dat zij het monumentje overwoekert, dit nog beter inpast in het landschap. Het is te hopen dat hiervoor nog middelen gevonden zullen worden, voordat het terrein weer tot een wildernis vergroeid is.

Bronvermelding:

- 'Enige kanttekeningen bij het gerestaureerde Sint Willibrorduskerkje te Middelbeers'
ir. C.G. Geenen in het maandblad Brabantia 11e jaargang 1962.