Rapporten - publicaties
- Monumentenzorg
- Architect
Uit de archieven van monumentenzorg
Tijdens de restauratie kon een onderzoek worden ingesteld naar de bouwgeschiedenis van dit kerkje. Daar er vrijwel geen dateerbare details aan dit gebouw waren aan te wijzen kon slechts met behulp van de opeenvolging van de perioden en uit de overkappingen verkregen gegevens bij benadering een datering van de bouwfasen worden gegeven.
Alle muren zijn opgetrokken in baksteen van sterk wisselende formaten, welke niets omtrent de perioden verduidelijken. Bovendien vertoont het schipgedeelte diverse naden en detailverschillen, die niet anders konden worden gezien dan stukken van een geheel met een vrij lange bouwtijd, onder primitieve omstandigheden tot stand gekomen.
De westmuur van het koor vertoont de resten van een lage triomfboog, die toegang gaf tot een zeer laag schip. Resten daarvan zijn gevonden in de vorm van een fundering fragment, bestaande uit veldklei en ijzeroer, aangelegd op 1,60 m. onder het laagste vloerpeil, op het ongeroerde zand.
Het huidige bakstenen koor heeft een fundering van ijzeroer met een dikte van 36 cm., aangelegd op 1,60 m. onder het laagste vloerpeil. De oude topgevel boven de triomfboog, die ingemetseld is aangetroffen, is enige tijd buitenwerk geweest. Het metselwerk was zwart en de voegen waren sterk terugliggend. De gevel werd afgedekt met een eenvoudige steen rollaag. De kapconstructie omvat, zoals in de gehele kerk, een houten tongewelf. De spitsboogspanten dragen hangerels (langs de muur doorlopende gewelfribben, geen trekbalken). De gewelfribben waren rood geschilderd. De onderdelen zijn voorzien van gesneden telmerken van het type rechtsgebroken. Het koor kan dagtekenen van omstreeks 1400.
Aan de zuidzijde werd later (evenwel voor de bouw van het dwarsschip) een sacristie toegevoegd, waarvan de fundering en een negatieve afdruk in de transeptmuur werden aangetroffen. In de doorgang naar het koor geeft de onderdorpel aan, dat de kerkvloer oorspronkelijk ± 50 cm. lager heeft gelegen. Dit wordt ook op andere plaatsen gevonden, terwijl tevens restanten van een lemen vloer op die hoogte in het schip werden aangetroffen.
In de sacristie werd op 1,50 m. beneden de laatste vloerhoogte op het ongeroerde zand een vleilaag gevonden, waarop de resten van twee lemen gietvormen van klokken resp. met een grootste binnendiameter van ± 95 en 85 cm., omgeven door houtskool.
Omstreeks dezelfde tijd, dat het koor gebouwd werd, zal ook de toren tot stand zijn gekomen. Hoewel deze blijkens zijn afwerking vrij moet hebben gestaan van het oorspronkelijke kerkje, is bij de richtingbepaling van de oostelijke steunberen tekening gehouden met een aanbouw aan die zijde.
Er is enige tufsteen en Belgische kalksteen in de waterlijsten verwerkt. Een gewelf kwam nooit tot stand. Wel werden enige gewelfribstenen van tuf gevonden, mogelijk eens bestemd voor dit gewelf.
De ruimte tussen toren en koor werd na enige tijd ingenomen door een zeer sober uitgevoerd schip met zijbeuken en lage dwarsarmen. De scheibogen worden gedragen door bakstenen kolommen, die oorspronkelijk een achtkantige doorsnede hadden en gekoppeld waren door houten trekstaven, even onder de boogaanzetten.
Naar gebleken is uit moeten tegen de topgevel boven de triomfboog, die bij de bouw van het schip verhoogd werd, heeft de kap een zeer bijzondere vorm gehad. De middenbeuk werd namelijk overdekt door een driedelig houten gewelf met een verhoogd middengedeelte. Tegen de oostgevel werden de beide gordingen aan weerszijden gedragen door een tegen die gevel geplaatste balk, ondersteund door korbeels en stijlen. Deze gordingen boven de korbeels rusten op stijlen met lange benen, die steunden op korte pilasters tussen de boogaanzetten. Deze vorm vertoont zeer veel gelijkeis met de XIIIe eeuwse kap van de grote ziekenzaal van de Bijloke-abdij te Gent. Soortgelijke XVe eeuwse kappen komen of kwamen in Nederland voor in de kerken te Stiens, Soest en Uitgeest. De zijbeuken zullen een ziende kap hebben gehad. De toppen van de bogen worden thans oversneden door een later tongewelf. Uit een onregelmatig verloop van de toppen van twee bogen aan de zuidzijde mag evenwel niet afgeleid worden, dat deze later gewijzigd zouden zijn.
De beide transeptarmen bezitten nog hun oorspronkelijke bekapping. In het houten tongewelf is hier een zichtbare gording in de gewelfvlakken. De onderdelen zijn gemerkt met een XVe eeuwse type rechtsgebroken.
In de westelijke travee van de zuidelijke zijbeuk bevonden zich in de buitenmuur twee kleine bakstenen ramen, onder de oostelijke ervan een ingang. In de smallere oostelijke travee schijnt zich slechts één raam bevonden te hebben. Deze zijbeuk en het aangrenzende transept hebben aan de buitenzijde een plintlijst,waarin gesmoorde grijze bakstenen verwerkt zijn, onregelmatig afgewisseld door rode.
Voor de westelijke travee van de noordelijke zijbeuk bevond zich een portaal, waarvan de fundering is teruggevonden. De aangrenzende travee heeft op de schets van Verhees (1787)- welke ook het portaal tekent-, twee vensters, doch er schijnt er slechts één te zijn geweest. Wanneer men uit de beide gevonden zijkanten twee ramen als aan de zuidzijde reconstrueert oversnijden zij elkaar. Mogelijk is hier een ellipsboog geweest als in de zijbeuken van de kerk te Maurik. Een der gevonden dagkanten is aan de buitenzijde gewit.
Inwendig waren de muren met leem gepleisterd; waar deze laag enigszins dik was is hij verschraald met strohaksel. De leemlaag laat gemakkelijk los, waardoor oude moeten op het pleisterwerk vrijwel onvindbaar zijn.
De triomfboog zal kort na de bouw van het schip verhoogd zij. Hiertoe werd de bestaande muur uitgebroken en tevens aan de westzijde beklampt met een halve steen, waarin ook de strijkbalk met korbeels en stijlen van de kap werden opgenomen. De klamp eindigde tegen het tongewelf, waardoor de lijn daarvan behouden bleef.
Later, vermoedelijk reeds kort na het midden van de XVe eeuw werd de oude kap vervangen door een nieuwe, met meer normale vormen onder dezelfde daklijn. Twee gordingen bevinden zich aan weerszijden in de gewelfvlakken. De hanenbalken worden op de vroeg XVe eeuwse wijze ondersteund door een standvinkenrij en de telmerken zijn wederom van het type rechtsgebroken. Gewelfbeschot bleef vermoedelijk achterwege. Boven de kolommen stonden de spanten op trekbalken zonder korbeelstellen, ertussen dragen de spanten "hanggevels". De moeten boven de kolommen, die al op geringe hoogte boven de pilasters zich naar boven niet verder aftekenen zijn afkomstig van de spantstijlen van de oude kap.
Ook de zijbeuken kregen een half tongewelf, waarvan de bovenzijde de toppen der scheibogen oversnijdt.
De gewelven werden later voorzien van latjes met leempleister, zgn. Brabants werk. Dit geschiedde mogelijk in de XIXe eeuw, toen de gehele kerk, weer in gebruik genomen voor de Rooms-katholieke eredienst, werd voorzien van neoclassicistische en neogotisch werk. De kolommen werden rond gehakt en voorzien van lijstkapittelen. De dagkanten van de scheibogen werden afgeschuind, de ramen vergroot. De toren werd aan de oostzijde sterk uitgeroofd ten behoeve van het orgel. De sacristie werd gewijzigd en vergroot, aan de noordzijde verrees tegen het koor een aanbouw.
Bronvermelding:
Documentatierapport Rijksdienst voor de monumentenzorg betreffende Middelbeers Oude R.K. Kerk dd. 14 mei 1960 van H. Janse.
Enige kanttekeningen bij het gerestaureerde Sint Willibrorduskerkje
De vroegere parochiekerk van Middelbeers, eens toegewijd aan de Heilige Willibrordus, een dochterkerk van die uit Oirschot, is een van de vele monumenten in het Brabantse, die een uitermate bewogen geschiedenis hebben.
Na 1927, dus nadat de nieuwe parochiekerk in gebruik was genomen, werd dit zeldzaam fraaie exempel van een dorpskerkje vrijwel aan zijn lot overgelaten. Het houten hoofdaltaar van omstreeks 1750 is gedeeltelijk verdwenen: het orgel uit de tweede helft van de 18e eeuw werd na de uitbreiding met enige registers in de nieuwe kerk geplaatst, waar ook de kuip van de 13e eeuwse granieten doopvont een plaats kreeg. De in 1726 door Jean Petit gegoten klok werd evenals die van Martinus Turck en de nog oudere van Henricus Petit door de bezetter tot oorlogstuig omgesmolten.
Eerst toen de tegenwoordige pastoor van Middelbeers, de Z.E. Heer Terhorst met de pastorale bediening van de Sint Willibrordusparochie belast werd, kreeg het oude kerkje de aandacht die het verdiende, en werden de eerste pogingen in het werk gesteld, om het gebouwtje althans van een algehele ondergang te behoeden; het is aan zijn volharding en doortastendheid te danken, dat na veel zorg en pijn dit fraaie kerkje van Nederland, zijn het dan na vele jaren gerestaureerd kon worden.
Intussen kunnen wij ons gelukkig prijzen, dat een voorstel uit de jaren twintig, dat voorzag in het bouwen van een, uiteraard grotere kerk aan de bestaande toren, nooit tot uitvoering is gekomen.
In 1938 werd aan de Haagse, inmiddels overleden architect, Den Hoogh opdracht verstrekt om plannen uit te werken om het kerkje om te bouwen tot raadhuis voor de gemeente Oost-, West- en Middelbeers. Uit de toelichting bij zijn ontwerp hiervoor, valt door de regels heen te lezen, dat Den Hoogh, die een goed restaurateur en een minnaar van de oude bouwkunst was, met dit probleem geworsteld heeft. Het koor zou tot raadszaal omgebouwd worden, het kerkschip moest een vlak plafond krijgen van gewapend beton, wat weer tot gevolg zou hebben dat de vensters van vorm moesten veranderen, terwijl voort in de noordelijke transeptgevel een hoofdingang diende te worden gemaakt, waardoor het uitwendig aspect er niet beter op zou worden.
Het mag dan te betreuren zijn, dat dit juweeltje van Brabantse bouwkunst zolang verwaarloosd is geweest, dat het herstel moeilijk en kostbaar werd, het is niettemin gelukkig, dat de metamorfose tot raadhuis nooit doorgang heeft kunnen vinden en dat het kerkje wederom zijn oude bestemming heeft teruggekregen.
Martien Coppens, die na de restauratie een aantal fraaie foto's maakte, heeft in Het land van Dommel en Aa (Eindhoven 1947) een enthousiast hoofdstuk geschreven over de Middeleeuwse Kerk. Hij stelt daarin, dat monumenten als het onderhavige, niet hersteld moeten worden in de toestand van 1939, doch dat restaurateurs moeten trachten goed te maken, wat door anderen werd verknoeid. Als uitgangspunt is deze stelling juist, maar niet elke verbouwing of uitbreiding uit latere perioden behoeft een verknoeiing te zijn, Renaissancistische uitbreidingen van Gotische kerken waren dikwijls zeer geslaagd; en zo kon men b.v. wat Middelbeers betreft niet zeggen, dat het 18e eeuwse cassettegewelf met trekstangen bepaaldelijk een mislukking was. Ware het niet, dat boven dit tongewelf van stuc, nog enkele duidelijke fragmenten en restanten van een houten tongewelf voor de dag waren gekomen, dan zou met mijns inziens zeker verantwoord zijn geweest terug te grijpen naar dat wat de restaurateurs in het begin van de 18e eeuw ervan maakten, want mochten de trekstangen dan al wat hinderlijk zijn, men kan kwaliteit beweren, dat het interieur geen subtiele ruimte was, goed van verhouding en zeker niet "ongezellig".
Daarmede wil niet gezegd zijn, dat het eikenhouten tongewelf hier niet con amore aanvaard is, het heeft zeker bij dit interieur behoord. Dr. Ter Kuile zegt in een der stellingen van zijn dissertatie, dat het houten tongewelf uit het noordwesten van Frankrijk over Vlaanderen naar Holland is gekomen. Hoe het dan ook zij, vaststaat dat onze landstreek bijzonder rijk is geweest aan een type kleine basiliek, met houten tongewelven, van de allereenvoudigste en huiselijkste soort (zie o.m. Fockema Andreae en Ter Kuile: Duizend jaar bouwen in Nederland).
Trouwens, men moet voorzichtig zijn met dat woord verknoeien, een woord dat de, overigens gewaardeerde, heemschutters zo vlug in de mond nemen. Om de resultaten van een herstel of uitbreiding 'á l'époque' naar waarde te kunnen schatten, moet men afstand, in de tijd gemeten, kunnen nemen, en dat is voor ons niet meer weggelegd!. Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat in de ogen van onze nazaten menige archeologische restauratie met namaak-harnassen, hogels, festoenen, voluten o wat u maar wilt, een restauratie in de trant van 'les minimalistes', het moet afleggen tegen 'l'art vivant et de l'utilité' (Chan. R. Lemaire), de werkwijze dus van hen die Lemaire noemt 'les maximalistes'. De aanpastheorie, vooral waar het gehele straatwanden betreft, heeft nog nergens geleid tot een karaktervol stadsbeeld. De wederopbouw van Warschau is bv. een horreur. Nog na de oorlog werd in ons goede Brabant een collega geprezen omdat zijn nieuw raadhuis zo goed was, dat niemand na honderd jaar er ook maar aan zou twijfelen dat het niet in de Baroktijd gebouwd was!
Het voormalige parochiekerkje is geheel van baksteen opgetrokken. Het dankt zijn schilderachtigheid (niet te verwarren met valse romantiek) aan zijn simpele dispositie: een schip met lange zijbeuken onder één kap.
Doordat de transepten belangrijk smaller zijn dan het schip, zijn ook de zadeldaken van de dwarspanden belangrijk lager dan het schipdak, zodat dit in het uiterlijk sterk kon blijven domineren. Ook het feit dat de totale lengte van de kerk met toren korter is dan de totale torenhoogte, werkt deze pittoreske verschijningsvorm in de hand.
De toren behoort tot het type van de onversierde Kempische torens, een indeling overigens, die weinig zegt en dan ook vrij willekeurig door Leurs en Smits gebezigd wordt.
Een merkwaardigheid is, dat de contreforten hier, in afwijking van de meeste toren van het zelfde type, niet tot de onderkant van de torenschoot reiken. Verhees was blijkbaar aan een dispositie met hogere steunberen zo gewoon, dat hij ze op zijn tekening automatisch maar een paar meter doortrok!
Het contrefort aan de westzijde is overhoeks gesteld, aan de zuidzijde daarentegen haaks op de muur, een oplossing die minder voorkomt, dan men om constructieve redenen zou verwachten.
Aan de noordzijde bevindt zich de vierkante traptoren, die er zeker altijd geweest is, maar in 1787 door Verhees als een uigedijde hoekfrijt werd gezien.
Over de uitvoering van de werkzaamheden en het interieur wordt u bij de restauratie verder geïnformeerd.
Bronvermelding:
'Enige kanttekeningen bij het gerestaureerde Sint Willibrorduskerkje te Middelbeers' door ir. C.G. Geenen in het maandblad Brabantia 11e jaargang 1962.